Het belangrijkste gevolg van de inflatie is de daling van de koopkracht van de munt; aan de hand van een concreet voorbeeld van inflatie zullen we de werking ervan beter begrijpen.
Laten we uitgaan van een restaurantuitbater die voor brood elke dag een budget heeft van 50 euro. Aan een kiloprijs van 2 euro zou hij 25 kilo kunnen aankopen. Als de kiloprijs door de inflatie zou stijgen tot 2,50 euro, kan hij nog maar 20 kilo kopen. Dit voorbeeld toont aan hoe een biljet van 50 euro aan koopkracht heeft ingeboet door de gestegen broodprijs.
De inflatiecijfers staan voor de procentuele stijging van de prijzen in een bepaald tijdsbestek en geven een indicatie van de wijziging van de koopkracht van de munt. Als we naar de inflatiecijfers kijken dan kunnen we drie soorten inflatie van elkaar onderscheiden: kruipende inflatie, met een jaarlijks percentage dat lager ligt dan 5%, galopperende inflatie met een percentage tussen 5% en 20% en tot slot hyperinflatie die boven de 20% uitkomt.
Eén van de meest opzienbarende gevallen van hyperinflatie van de geschiedenis, is die van de Weimarrepubliek (het huidige Duitsland) in 1923, toen het drukken van een enorme hoeveelheid bankbiljetten - op bevel van de regering - ervoor zorgde dat de prijs van een kilo brood steeg tot wel 400 miljard mark.
Eén van de oorzaken van inflatie is, zoals blijkt uit het voorbeeld, als er te veel geld in omloop is, maar daar stopt het niet bij. Er is ten eerste vraaginflatie, die ontstaat wanneer de vraag naar goederen en/of diensten het aanbod overstijgt en de prijzen bijgevolg stijgen. Kosteninflatie doet zich daarentegen voor naar aanleiding van de stijging van de productiekosten. In dat geval wijzigt de vraag naar goederen en/of diensten niet, maar vermindert de productiecapaciteit van de bedrijven of is er sprake van een stijging van de consumptieprijzen.
Een bijzondere soort kosteninflatie is de geïmporteerde inflatie die zich voordoet wanneer de prijsstijgingen in verband staan met de stijging van de kosten van producten die afkomstig zijn uit het buitenland. De herkomst van de geïmporteerde inflatie is dus extern ten opzichte van het economische systeem waarin het zich voordoet.
Doorgaans zijn er twee mogelijke oorzaken voor deflatie: een afname van de vraag naar goederen en diensten of een toename van het aanbod.
De afname van de vraag kan op zijn beurt dan weer ingegeven zijn door twee factoren. De eerste factor is de stijging van de rentetarieven die de vraag naar leningen kan afremmen en het sparen kan bevorderen. De tweede factor is het algemeen vertrouwen dat afneemt, wat zich kan voordoen tijdens een pandemie of een oorlog, zijnde situaties waarin men bezorgd is om de toekomst van de economie en de werkloosheid en om die reden gaat men minder consumeren.
Het aanbod kan echter toenemen wanneer de productiekosten dalen en de bedrijven beslissen om hun eigen productieactiviteit op te drijven waardoor het totale aanbod vergroot.
Na de oorzaken werpen we nu een blik op de gevolgen van deflatie. We zouden het kunnen bestempelen als een ‘valse vriend’: op korte termijn ondersteunt het de toename van de koopkracht van de lonen en het spaargeld, maar op lange termijn zou het de economie kunnen lamleggen. En de reden daarvoor? Als de prijzen constant dalen, zouden mensen kunnen beslissen om hun aankopen uit te stellen in afwachting van verdere dalingen. Deze houding vertaalt zich in een afname van de consumptie, prijzen, groei en tewerkstelling. Het grootste risico is dat er een deflatiespiraal ontstaat waar men nog maar moeilijk uit geraakt.
Een goed voorbeeld hiervan is het ‘verloren decennium van Japan’, dit was de periode tussen begin jaren negentig en het begin van de eenentwintigste eeuw. In die periode ving voor de economie een periode van stagnatie aan en de jaarlijkse groei van het Japanse bbp bleef hangen op ongeveer 1%.
Het begrip werd in de jaren '60 uitgevonden door de Britse politicus Iain Macleod om de economische situatie te beschrijven waarin het Verenigd Koninkrijk zich toen bevond. Vervolgens kregen naar aanleiding van de oliecrisis in 1973 ook andere geïndustrialiseerde landen te maken met stagflatie.
Tijdens de oliecrisis steeg de prijs van ruwe olie pijlsnel: het tekort aan energiegrondstoffen zorgde tegelijkertijd voor de afname van de productie die leidde tot stagnatie en stijging van de prijzen (inflatie).
De stijging van de tarieven van de ECB doet de kost van geld toenemen en ontmoedigt het aangaan van een krediet: een hypotheek, een lening of een financiering aanvragen zal meer kosten aangezien er meer rente betaald moet worden. Investeringen en consumptie zullen een terugval kennen terwijl sparen meer zal opbrengen.
Algemeen gesteld heeft de interventie van de ECB als resultaat dat de vraag en de prijzen dalen, en dus deelt de inflatie van de Europese lidstaten. Men moet zeker bedenken dat enerzijds de inflatie afneemt door de stijging van de tarieven maar anderzijds zou de economie ook kunnen vertragen en de werkloosheid zou kunnen toenemen. Daarom zijn inflatie en werkloosheid onrechtstreeks met elkaar verbonden.
Nu we weten waarom de tarieven verhoogd worden om de inflatie tegen te gaan en welke gevolgen de inflatie en de rentetarieven hebben, gaan we hebben over de relatie met deflatie. Om de abrupte prijsdaling tegen te gaan, hanteert de Europese Centrale Bank een expansief monetair beleid waarbij de rentetarieven verlaagd worden. Hierdoor zwengelt de ECB de consumptie en investeringen aan, waardoor de vraag en de prijzen stijgen. De lage tarieven bevorderen de economische groei en de tewerkstelling.
Deze redenering voor de ECB en de Europese inflatie gaat ook op voor alle nationale banken. Ook de Federal Reserve bijvoorbeeld volgt hetzelfde mechanisme om de inflatiecijfers en deflatie in Amerika tegen te gaan. Indien de Amerikaanse inflatie te snel stijgt, worden de tarieven verhoogd.
In het geval van aandelen is er geen onmiddellijk effect dat verband houdt met de toename van de inflatie en de tarieven; het effect is geval per geval anders. In het algemeen kan men stellen dat de vertraging van de economie die zich kan voordoen in het geval van hoge tarieven en hoge inflatie op korte termijn negatief kan zijn voor bedrijven en aandelen. Op lange termijn daarentegen zou het vermogen de beleggers een soort bescherming kunnen bieden omdat de monetaire waarde van de effecten zou kunnen stijgen zodra de inflatie toeneemt.
Een goed voorbeeld is Forward Quant, een dynamische en flexibele unit-linkedverzekering van FWU die gekenmerkt wordt door een hoge diversificatie. Een aanpak die mogelijk gemaakt wordt door de geavanceerde technologie van diens algoritmes die de belegging beheren met het oog op een optimaal rendement op lange termijn.
De werkelijke inflatie is de constante en algemene prijsstijging van goederen en diensten. Het inflatiecijfer is de procentuele prijsstijging in een bepaald tijdsbestek. Inflatie en deflatie hebben een weerslag op het monetair beleid van de nationale banken die voornamelijk ingrijpen door de rentevoeten te doen stijgen en dalen. Werkelijke inflatie en rentevoeten hebben een impact op spaargeld, schulden en beleggingen